Drentsche Patrijshond

Drentsche Patrijshond

Groep: 7 staande jachthond.
Oorsprong: Nederland.

Historisch:
Het ras ontstond vanaf de 16e eeuw uit de spionen, staande honden die via Frankrijk uit Spanje afkomstig waren. In Nederland werden ze Patrijshonden genoemd. In het oosten van Nederland, vooral in Drenthe, werden deze honden raszuiver bewaard en niet als elders gemengd met buitenlandse rassen. 1943 werd het ras officieel door de Raad van Beheer erkend. Dit was sterk bevorderd door Mevrouw M.C.S Baronesse van Hardenbroek en de heren G.J van Heek Jr en P.B.V Quartero.Het ras is verwant aan o.a de Heidewachtel en de Epagneul Francais. 1948 werd de rasvereniging opgericht "De Drentshe Patrijshond".

Algemene verschijning:
Een evenredig geboude hond, droog gepierd en scherp getekend, wiens lichaamsbouw kracht toont en het vermogen tot het ontwikkelen van de voor de jachthond nodige snelheid. Hij heeft een wigvormige snuit die iets korter is dan de lengte van de schedel en niet overhangende, tamelijk droge lippen. Hij is wat langer dan hoog, dus iets gestrekt. De vacht, hoewel op het lichaam niet bepaald lang, typeert zich door de goed behaarde oren en de iets rijkere behaaring aan hals en borst, de bevedering van voor- en achterbenen en de door de rondom lang behaarde, bossige staart- als een lange beharing.

Karakter eigenschappen:
Hij is voor de jacht op wisselend terrein de jachthond bij uitnemendheid. De hond jaagt onder het geweer. Het behoud van het contact met de jage is blijkbaar een aangeboren eigenschap. Een eigenaardigheid van veel Drenten is, dat de hond in zoekende actie de staart in de ronte draait. Dit is vooral duidelijk als hij verwaiing krijgt van wild. Na het aantrekken of een arrêt, staat hij het wild muurvast en onberispelijk voor. Bij het staan wacht de hond tot de jager tot op korte afstand genaderd is, terwijl bij lang wachten omgekeken wordt. hij heeft het aanpassingsvermogen dat hem voor de jacht op allerlei soort wild in het veld en voor het waterwerk geschikt doet zijn. Daarnaast is hij een goed apportuer en verloren zoeker. Gemelde eigenschappen zijn de hond aangeboren, vandaar het eigenaardige dat hij weinig dressuur behoeft. Door de zachtheid van karakter is parforce dressuur uit den boze. De hond is trouw en intelligent en daardoor met een goede opvoeding en training, een huisgenoot van bijzondere waarde en een goede jachtmakker.
Drenten houden van kinderen en werd vroeger gebruikt als erfshond, dat maakt het ook een iedeale wachthond. Het ras is ook erg eigenwijs en voet voor een drent is meestal 10 m voor de eigenaar.

Kleur:
Wit met bruine platen, met of zonder spikkels. Honden met een duideleijke schimmelkleur (mengsel van bruine en witte haren) met of zonder platen, zijn ongewenst. Minder gewenst zijn mantelhonden. De oren zijn bruin, evenals het haar rondom de ogen. (hoe oudere de hond word, des te meer spikkels ze kunnen krijgen).

Schofthoogde en gewicht:
Reu: 58-63 cm      30-35 kg.
Teef: 55-60 cm     25-30 kg.